HegWes groep

Klik op titels met een + ervoor voor het gehele artikel!

In de tuin van de toenmalige eigenaar van Cederoord, Dhr. Mulder, directeur van de aardappelmeelfabriek De Baanbreker, verrees in 1953 een blokhut van 6×10 meter die als clubhuis moest dienen voor de padvindersgroep HEGWES. Hieronder vind u een relaas van de Lutter belevenissen van deze destijds wereldwijd vertakte jeugdbeweging.

Foto

Zo begon het:
Op 22 oktober 1938 vond in Lutten de oprichting plaats van een nieuwe club genaamd D.S.G. (Door Samenwerking Groot). De eerste benaming van ongeveer hetzelfde groepje jongens was D.C.C. (De Club Lutten). Deze jongensclub, opgericht in het jaar 1931, stond toen onder leiding van een avontuurlijke Luttense jongen van 10 jaar oud: Jan Jonkers. De heer H.J. Jonkers, wonende in Coevorden, heeft een verzameling aangelegd van verslagen, clubliederen, tekeningen, brieven en foto’s uit de periode van 1930 – 1960. De titel van zijn omvangrijke verzameling luidt:

De Jongens van Eikenoord

De hoofdfiguur hierin is Hans Erik Gouwe, zoon van wijlen W.F.K. Gouwe, die van 1931-1962 een artsenpraktijk had in Lutten en woonde op “Eikenoord”. Het verhaal van Jonkers tracht een indruk te geven van de opkomst van nieuwe ontwikkelingen in het jeugdwerk. De club D.S.G. zou hierin een pioniersrol vervullen. Het was een groot verlies voor Lutten en de club, dat één van haar leiders, Hans Gouwe, in september 1944 door handlangers van de Duitse bezetters werd vermoord. Met de authentieke verzameling “De Jongens van Eikenoord” wil H.J. Jonkers de nagedachtenis van Hans Gouwe eren. Vanuit D.S.G. is na de oorlog in Lutten een padvindersgroep opgericht, die de naam kreeg ‘Hegwes’ groep. Met de combinatie van deze letters werden 2 Luttense verzetsstrijders geëerd Hans Erik Gouwe en Willem Sebel, politieman in Lutten. Hun namen staan vermeld op het oorlogsmonument voor de Hervormde Kerk. Behalve D.S.G. waren er nog een aantal jongensclubs in Lutten, in die vooroorlogse jaren. Het waren meestal kleine groepjes jongens. De club D.S.S. (Door Samenwerking Sterk) was, vanwege de jongere leeftijd geen rivaal voor D.S.G. Maar de club Vios (Vooruitgang Is Ons Streven) was een geduchte tegenstander. Vios ontplooide ook grotere activiteiten, zoals het maken van een paasvuur nabij het Luttense tramstation. Op de avond van de 2e paasdag werd het vuur onder grote belangstelling aangestoken. Het weer was goed en het vuur brandde lekker op 2e paasdag 1939. Onverwacht klonk er opeens een luide knal, spoedig gevolgd door meerdere knallen en omhoog en opzij spattende vuurstralen. Ouders met kinderen vertrokken haastig. Vios-leden raakten in discussie met leden van D.S.G. Het gevoeg was een hevige ruzie toen men elkaar met stukken hout van het paasvuur te lijf ging. Er waren in die jaren een flink aantal jongens die het avontuur zochten. Schieten met pijl en boog of met de katapult was een favoriete bezigheid. Zo bewapend gingen ze op jacht, schoten waterkipjes aan de Staarmanswijk en braadden die aan het spit op het punt Krimvaart Staarmanswijk. Wat men ook graag deed was hutten bouwen. Deze hutten werden vaak gebouwd op de heidevelden, bijv. bij Collendoornerveen. Soms werden de hutten door een andere club in brand gestoken. Hans Gouwe en zijn vrienden kregen daar de schuld van, iets wat later niet waar bleek te zijn. Dit gebeuren leidde tot gevechten in de schoolpauzes. Dan vielen er rake klappen. Zo kon het gebeuren dat “Eikenoord” belegerd werd. Later wordt er in de tuin van “Eikenoord’ een hut gebouwd met een stookplaats in de wand. In dat hol vindt op 22 oktober 1938 de installatie van D.S.G. plaats. Met het tekenen van de ‘Oorkonde’ en het drinken van bramenwijn wordt dit gevierd. Op 12 april 1939 wordt er vriendschap gesloten tussen ‘Vios’ en ‘D.S.G.’

Oorkondes

Het sportieve element bleef één der doelstellingen van de club. Men ging door met sporten en ook kamperen. In de zomer van 1939 besloten de jongens een trektocht op de fiets te maken, een hele prestatie, gezien de kwaliteit van de fietsen in die dagen. Over dat avontuur vertelt Jan het volgende in zijn persoonlijk verslag.

Trektocht rond het IJsselmeer

Op 22 juli verzamelden we ons ‘s morgens bij Eikenoord, om na het maken van een ‘kiekje’ te starten voor de eerste etappe van onze trektocht rond het IJsselmeer. Het doel van de eerste dag was Sneek. Na een voorspoedige rit via Meppel, Steenwijk, Heerenveen en Bolsward bereikten we in de middag Sneek, waar we naast een boerderij in een weiland onze tenten mochten opslaan. Hierna werd de primus aangemaakt en begonnen we met het koken, alleen met de melk lukte het niet best (waarschijnlijk te vers), want die brandde flink aan. Na het eten trokken we Sneek in en bezochten we een bioscoop waar een daverende lachfilm draaide met Joe Brown als ‘de brokkenpiloot’. Daarna zochten we de tenten op en sliepen heerlijk. De volgende morgen na het ontbijt werden de spullen ingepakt en stapten we weer op de fiets richting Afsluitdijk. Onderweg kochten we enige broden heel goedkoop want er was `broodoorlog’. ‘s Middags kwamen we in Westzaan aan waar we een plaats vonden in de tuin van een Westzaner. Hier bleven we een dag over en hadden veel bekijks. De soms luidruchtige omgang met de Westzaanse jeugd tot laat in de avond werd een ‘buurman’ te gortig en hij dreigde het feest met een emmer water te verstoren. Woensdagmorgen namen we afscheid van Westzaan en fietsten we door Amsterdam, waar we de aandacht trokken van de straatjeugd, waaronder een jongentje die ons nariep: Kaik es wat een lange spillebeen, wat kennelijk op mij sloeg. Door de mooie natuur van het Gooi ging het richting Amersfoort, waar we bij het plaatsje Hoevelaken een kampeerplaats vonden achter de tennisbaan. Hier bleven we, evenals in Westzaan een dag over, en vertrokken op vrijdag 27 juli ‘s morgens richting Apeldoorn. Hier sloegen we onze tenten op nabij de spoorbaan. Dit bleek achteraf niet zo slim te zijn, toen we nl. ‘s avonds Apeldoorn gingen verkennen was het er een drukte van belang. Het liep er vol soldaten met paarden en overal hingen plakkaten waarop stond dat de voormobilisatie was afgekondigd, de oorlog bleek in aantocht. Die nacht sliepen we onrustig vanwege de telkens voorbij denderende militaire treinen. Geen wonder dat we ons de volgende morgen versliepen. Toen we aan een voorbijganger vroegen hoe laat het was (ons enige horloge stond stil), bleek het al bij twaalven te zijn. Het ontbijt sloegen we maar over. Na gegeten te hebben pakten we weer in en vertrokken richting Deventer. Tot voorbij deze plaats ging het goed maar toen we in de buurt van Raalte bij een brug over het Overijssels kanaal kwamen die door soldaten bewaakt werd gebeurde het dat drie van ons (Hans, Arend en Gerrit) die voorop reden, de  brug gepasseerd waren waarna deze werd opgehaald. Dus moesten wij (Henk, Gerrit en Jan) wachten tot hij weer neer gelaten werd, maar dat duurde nogal even. We besloten toen maar wat te gaan eten wat echter moeilijk ging, want de voorste drie bleken het brood bij zich te hebben en wij slechts de boter en het beleg. Gelukkig hadden de militairen wat over en konden we met hen mee eten. Toen de brug weer werd neergelaten, konden we onze weg vervolgen maar de rest van de groep hebben we voor Lutten niet weer gezien.

En dan wordt het mei 1940. Dat het clubwerk hierna een andere wending zou nemen was wel begrijpelijk, er moest nu veel meer in het geheim gebeuren omdat de bezetter veel dingen verbood: Lees het volgende item

Pamfletten en granaten

Al spoedig na de Duitse inval op 10 mei toen we van de eerste schrik bekomen waren, begonnen we weer toekomstplannen te maken. Over de afloop van de oorlog bestond bij ons geen twijfel, de Engelsen zouden spoedig een invasie doen en de moffen weer verjagen. Intussen begonnen we ijverig anti-Duitse pamfletten te verspreiden die door W. de Fouw uit Amsterdam werden meegebracht. Overgetypt en gestencild werden ze door ons rondgebracht. Dit ging echter aan de bezetters en hun handlangers niet ongemerkt voorbij, zo kwam mijn vader op een morgen haastig van de fabriek thuis om te waarschuwen dat we de pamfletten weg moesten doen omdat Duitse politie op het kantoor van de fabriek type-proeven nam om uit te zoeken waar bepaalde pamfletten werden getypt. Ze vonden echter niets. Ook werden proeven met springstof genomen. Zo maakte Hans van gemalen houtskool, zwavel en kalisalpeter buskruit. (zwavel werd op “De Baanbreker” gebruikt voor het bleken van aardappelmeel.) Toen het klaar was moest het uitgeprobeerd worden. Hiervoor maakten we een proef granaat van een oude auto-carburateur, waar Willy Lagers voor zorgde. Hans stopte het ding vol met kruit en maakte er een lont aan: klaar was Kees. Nu nog een plek zoeken voor de proef-explosie. “Pa’s Denkkuil”, een met wallen omgeven zitje achter in de tuin van directeur Mulder, aan de “waterleiding” gelegen leek ons een geschikte plaats. Met z’n drieën (Hans, Willy en ik) gingen er heen. Het projectiel werd in de kuil gelegd en de lont aangestoken. Toen vlug dekking zoeken achter een wal, maar er gebeurde niets. Na enige tijd wachten gingen Hans en Willy kijken wat er aan de hand was. Ze waren bijna bij het projectiel toen het ontplofte. Willy werd door een stuk in z’n maagstreek getroffen en viel in zwijm. Gelukkig was hij niet gewond. Met een zakdoek gedrenkt in koud “leiding” water op zijn hoofd kwam hij al snel weer bij. De proef bleek niet zo geslaagd. De pogingen tot het maken van betere projectielen werden voortgezet. Er werd een ontwerp gemaakt naar het model van een Duitse handgranaat, d.w.z. een stalen huls met houten steel. Gerrit zorgde voor het draaiwerk en Hans voor het ontstekingsmechanisme. Het benodigde fosfor schraapten we van lucifer doosjes. Hoewel ze bij werpproeven goed voldeden, leverde de ontsteking zoveel problemen op (ze ontploften vaak niet), dat we de proeven verder staakten.

Over de oorlog is echter al genoeg geschreven. Van één dag heeft Jonkers echter een notitie gemaakt, het was de dag waarop hij zijn beste vriend verloor. Het was de zwartste dag uit de geschiedenis van ‘de Jongens van Eikenoord’.

Jan vertelt: Een zwarte zaterdag

Het was in de middag van 23 september 1944. Er waren weer een massa vliegtuigen overgevlogen en de begeleidende jachtvliegtuigen hadden hun overbodige reservetanks weer her en der afgeworpen. Zo viel er ook één op het fabrieksterrein van ‘De Baanbreker’. ‘Wij spoedden ons er heen met lege blikken om de resten benzine die er nog in zaten, te verzamelen. We waren daar druk mee bezig (mijn vader en ik) toen directeur (Wim)Mulder kwam aanlopen. Hij keek erg geschokt en we zagen direct dat er iets ergs gebeurd moest zijn. Hij zei: Hans Gouwe is dood’. We konden onze oren niet geloven en waren verslagen. Een dag tevoren had ik hem nog gesproken toen ik op het spreekuur van de dokter was voor behandeling van angina. Hans was toen bezig blikken benzine in een bootje te laden om die, naar later bleek, naar de schuur van de dorsvereniging, aan de overkant, te brengen waar de auto van de familie Gouwe (een Ford E20407) verborgen stond onder stropakken. Daar alle auto’s door de Duitsers gevorderd werden en de schuilplaats reeds ontdekt was, besloot mevrouw Gouwe hem aan het verzet te geven. Zo vertrokken op de bewuste zaterdagmorgen Hans, Adriaan van Haeringen en Chris Bakker met de auto naar Zwartsluis, om hem daar aan het verzet af te leveren. Om plm. half vier kwam er bericht bij Hans thuis dat de jongens later thuis zouden komen. De moffen hadden de polder Mastenbroek onder laten lopen en de jongens waren erheen gegaan om de boeren, die door het water overvallen werden, te helpen met het redden van vee. Toen ze daarmee klaar waren gingen ze op geleende fietsen terug naar huis. Intussen was er te Balkbrug vanuit een auto op een schip met munitie geschoten, een heel stomme streek van lui die waarschijnlijk op eigen houtje ‘verzet’ pleegden. De aanslag mislukte volkomen. Even daarna arriveerden de drie jongens die van niets wisten. Adriaan had juist gezegd: ‘Hé nu zit het er bijna weer op’ waarop Hans zei: ‘Voor het avond is, kan er nog veel gebeuren’. Hij was amper uitgesproken of verschillende K.K.-mannen besprongen hen. Ze werden gefouilleerd en men beweerde dat ze wapens bij zich hadden, wat waarschijnlijk ook wel zo geweest zal zijn. Ze moesten mee naar het psychopatenasiel. Verschillende bekenden hebben de jongens zien lopen, zo ook een andere ploeg verzetsmensen waaronder Frits van Faassen, die er net op uit trokken. Ze zagen de jongens met de armen omhoog staan. Zelf konden ze zich in veiligheid brengen. Een uur later zijn deze toch verder gegaan om hun opgedragen taak te volbrengen al deze jonge mannen zijn stuk voor stuk helden! De schoften die Hans en de anderen weg brachten zeiden tegen Adriaan en Chris, omdat zij met het hooft naar de grond liepen, in tegenstelling tot Hans, die fier rechtop liep, ‘kijken jullie ook nog maar eens naar de lucht, die zie je voor het laatst’. In het laantje van het huis bij Dr. Hartsuiker (Erika) schoot men Hans opeens van achter neer. Zonder verhoord te zijn en zonder iets te zeggen. Aan z’n armen heeft men hem teruggesleept naar de weg, waar hij als voorbeeld moest blijven liggen. In het zandschreef men: een terrorist.

Dan wordt het april-1945. Op vrijdag 6 april wordt Lutten bevrijd. Toen de bevrijdingskoorts wat gezakt was begonnen de jongens van D.S.G. weer over kamperen te denken. We lezen erover in

D.S.G. herrijst

Eens stonden we bij de brug (bij Schrijver) toen er een militaire wagen stopte. Een officier stapte uit, het was W.de Fouw (neef van Hans). Híj vroeg ons waar Hans was, hij had verwacht hem hier aan te treffen. Helaas hadden we slecht nieuws voor hem. (Wim de Fouw, voor de oorlog lid van onze club, was tijdens de oorlog naar Engeland overgestoken en had zich aangesloten bij de Prinses Irenebrigade). Allengs begon het leven z’n normale loop te hervinden en zo kwam op 14 april de club weer voor het eerst na de bevrijding bij elkaar in de wachtkamer van `Eikenoord. Toekomstplannen werden gemaakt, zo werd o.a. besloten een zomerkamp te houden in Junne. Kampeerinstructie kregen we van de heer Berkenbosch van het Leger des Heils. Het eerste naoorlogse kamp stond onder leiding van Engbert Nijhuis en Jan Jonkers. Er gingen tien jongens mee en het kamp was zeer geslaagd, hoewel de voedselsituatie nog primitief was. Door de bevrijders verstrekte eipoeder vormde met aardappelen en meegebrachte (geweckte) groente, een belangrijk deel van de maaltijden. Het kamp stond aan de oever van de Vecht en zwemmen was een dagelijks gebeuren. Het bestuur was uitgebreid met T. Prins en J. Altena, het lag nl. in de bedoeling een sport en een kampeerafdeling te vormen. De meningen hierover liepen zo sterk uiteen dat de kampeerafdeling na enige tijd zijn eigen weg ging. En dan komt er interesse voor de padvinderij. Een organisatie die voor de oorlog erg populair was, en een enorme aantrekkings kracht uitoefende op avontuurlijke jongeren, was de NPV: de Nederlandse Padvinders Vereniging. Op het platteland was men van mening dat de padvinderij iets was voor rijkelui ‘s zoontjes en voor de grote stad Toen echter na de oorlog weer foto’s verschenen in kranten en tijdschriften over padvinders, kwam er steeds meer bewondering voor die organisatie, voor de uniformen met insignes en onderscheidingstekens. Het ‘Spel van Verkenner’ begon indruk te maken. Tijdens dat eerste naoorlogse kamp van de kampeerclub D.S.G. in Junne aan de ‘Vecht, hadden de D.S.G.ers voor het eerst padvinders in uniform gezien. ‘Waarschijnlijk waren die op kamp bij Ada’s hoeve, bij Ommen. Het had een enorme indruk gemaakt op de Luttense jongens. Ze raakten er niet over uitgepraat. Het komende najaar ging D.S.G. zich meer verdiepen in de padvinderij. Zelfs op de clubavonden van het C.J.M.V., het Chr. Jonge Mannen Verbond. waar Jan assistent leider was, praatte men er in de pauze over. Velen werden enthousiast. Jan ging een zgn. inleidingcursus volgen in Zwolle. Hij slaagde en werd geïnstalleerd als verkennersleider. (Hopman). Hij mocht nu ook zelf jongens installeren tot padvinder. Deze jongens moesten eerst wel bepaalde vaardigheden aanleren voordat ze met hand op de vlag werden geïnstalleerd. Eind 1945 werd in Lutten een padvindersgroep opgericht die de naam Hegwesgroep kreeg. De eerste verkennersleider van die groep was Hopman Jan Jonkers.

Blijkbaar was D.S.G. inmiddels ook een sportvereniging met meerdere takken van sport. Dit blijkt uit een onlangs gevonden exemplaar, door wie anders dan Judith Kaars Sijpesteijn-Gouwe, van het orgaan van de vereniging uit augustus 1945.

Uittreksel De DSGer

Na de overgang in 1946 van D.S.G. naar padvinders groep HEGWES verschenen er verslagen van reizen en kampen in het: Districtsblad voor het district Coevorden der N.P.V. “DE TAM-TAM”.

Twee Tam-tam-verslagen

Handgeschreven patrouilleweekblad uit 1946. Let er op dat de tekst is geschreven in twee kolommen per pagina

Klassekaarten en uniform“]

Op 13-12-2013 kreeg we, via Judith Kaars Sijpesteijn-Gouwe, het bericht dat de hr. Jan Jonkers op 5-12-2013 op de leeftijd van 92 jaar is overleden. Wij zijn hem zeer erkentelijk voor het feit dat we veel van zijn geschreven nalatenschap aangaande de jeugdbeweging in ons dorp hebben mogen gebruiken voor deze website.

Werkgroep Gouwe geschiedenis

Padvinderij in Lutten – Gerrit van Faassen

Voor ons jongens van een jaar of tien was ons mooiste speelterrein het grote heideveld dat er toen nog was op het Collendoornerveen. Daar zochten wij het avontuur, bouwden we ondergrondse hutten en stookten stiekem vuurtjes. Wij hebben het altijd beschouwd als het mooiste speelterrein uit onze jeugd, zochten er bij de vennetjes naar eendeneieren en kwamen vaak met kletsnatte voeten weer thuis. Op een goede dag, toen we daar eens weer met een groepje jongens waren en we languit in de heide lagen en fantaseerden over belevenissen en avonturen, stond er volkomen onverwacht een lange vent voor onze neus, we schrokken behoorlijk, want niemand had hem zien aankomen. Hij was sluipend door de bente en heide op ons af gekomen. Hij heette Jan Jonkers en vertelde ons dat hij bezig was om een padvindersgroep op te richten. Hij vroeg ons of we zin hadden om padvinder te worden en vertelde wat je daar allemaal kon leren. Dingen die je van pas konden komen, kaartlezen en kompaswerk, spoorzoeken, kamperen en koken op houtvuren. Maar ook seinen met vlaggen en met behulp van morsetekens. Die strepen en punten kon je met een fluit doen, maar ook in het donker met behulp van een zaklantaarn. Het verhaal van Jonkers en het plaatje van een padvinder in uniform maakte ons razend enthousiast. Met de oorlog nog maar net voorbij leek zo’n uniform ons geweldig. We vroegen hem of we ook een revolver of een geweer kregen. Dat bleek niet het geval. Als je verkenner werd mocht je een mes of dolk dragen en een stok. Maar die dingen waren niet om te vechten. ‘Nee’, vertelde Jonkers, een padvinder is een vriend voor allen en een broeder voor alle andere padvinders. Een padvinder doet elke dag een goede daad, voor mens en dier, in huis, op straat’. Vechten was er dus niet bij! Omdat we nog geen 12 jaar waren, zouden we eerst een paar jaar bij de welpen komen. En zo gebeurde het dat we in het voorjaar van 1946 bij de welpenhorde van de Hegwes groep kwamen. Onze akela was Engbert Nijhuis, de manufacturier. Marietje Post was onze `bagheera’ en onze `baloe’ werd Inge Gouwe, van dokter Gouwe. Het welpenavontuur speelt zich af in de jungle en die jungle was het berkenbosje aan de Middenweg. In het midden van dat bosje was een klein heuveltje gemaakt, de `Raadsrots’. Daarop stond bij aanvang van elke bijeenkomst de oude grijze wolf, de akela. Zo snel mogelijk leerden we verschillende vaardigheden en knopen, want dan mocht je de wolvenkop als insigne op je linkerborstzak dragen en kreeg je een ster op je groene welpenpet. In dat berkenbosje is ook menig partij `vlaggenroof gespeeld.Ons eerste zomerkamp met de welpen was in de zomer van 1946 in Junne op een boerderij. Wij zijn daar met een vrachtauto van “Van Gunst naar toe gebracht. Een spannend spel was het opsporen van twee gevaarlijke boeven. Niemand had ons verteld dat het maar een spel was en we vonden het best griezelig. Toen we ze echter gevangen hadden en het twee verkenners bleken te zijn, waren we zo trots als echte helden.

Tijdens ieder volgend zomerkamp was er wel een spannend spel uitgedacht. Toen de Hegwesgroep in 1945 werd opgericht, werd Jan Jonkers verkennersleider, hopman. Het was toen maar een vreemd stel padvinders, daar in Lutten. De uniformen waren door de moeders zelf gemaakt, er was geen één gelijk, dus je kon eigenlijk niet spreken over uniformen. Sommige moeders hadden geprobeerd de shirts `kaki’-kleurig te verven. Enkele jongens droegen een rode zakdoek als halsdoek, de korte broeken waren ook in alle maten en kleuren. Kniekousen waren er ook in velerlei soorten. En dan die eerste hoeden! Je kon toen oude hoeden opsturen naar een speciaal adres. Daar zorgden ze er voor dat de vier bekende deuken er in geperst werden. (“Mijn hoed die heeft vier deuken, vier deuken heeft mijn hoed. En heeft ze niet vier deuken, dan is het niet mijn hoed” – padvindersliedje). Hoeden van pa en moe, van opa en uit de koloniale tijd bolhoeden, witte, groene en zwarte hoeden, overal werden de vier deuken ingeperst. Sommige bleven een jaar in vorm, bij anderen waren de deuken er bij één flinke regenbui weer uit. Zonde dat van die eerste hoeden geen foto’s zijn.

De verkenners uit Lutten leken wel een beetje op de eerste ‘Boys Scouts’ in Engeland in 1908. Dat waren de volgelingen van Robert Baden Powell, een beroemde generaal, die gediend had in India en Zuid-Afrika. Na de publicatie van zijn boek Scouting for Boys’ zouden er overal padvindersgroepen worden opgericht. Na de Tweede Wereldoorlog volgde een gigantische groei over de gehele wereld In 1985 waren er 22 miljoen leden in 150 landen. Tijdens een feestavond van de Hegwesgroep, in zaal Schottert, in de winter van’45- ’46, werden er uniformen geleend van een andere groep. Het werd de 1e foto van een aantal Luttense jongens o.l.v. Jan Jonkers. Fier in de houding staan ze op portret! In de winter ’45-’46 vonden de eerste bijeenkomsten beurtelings plaats in de wachtkamer van Eikenoord en in één van de lokalen van de oude openbare school. De groep wilde maar wat graag een eigen onderkomen. Het oog viel toen op de “Watertoren. Zou daar geen mooi troephuis van te maken zijn? Het ouderbestuur, de zgn. Groepscommissie, bestaande uit de heren; Gerrit Jan ter Wijlen, Jan Ballast en Herman van Faassen dienden op 26 februari 1946, een verzoek in bij de Waterleiding Mij Overijssel.

Brief

Je houdt het niet voor mogelijk, maar het verzoek werd ingewilligd! Vanaf het voorjaar van 1946 beschikte de Regiegroep over een wel zeer uniek clubhuis. Op de begane grond werden vier hoeken ingericht, voor drie patrouilles de ‘Valken, de ‘Vossen en de Herten en één voor de leiding. Palen van rondhout werden vastgeklemd tussen de begane grondvloer en de verdiepingsvloer. Men mocht nergens in het beton boren of spijkeren. Toch lukte het om op deze manier mooie onderkomens te creëren. Eén hoek, op de noordkant van de toren kon gedeeltelijk worden afgesloten. In het raam werden stiekem een klein ruitje vervangen door een zinken plaat, daar kwam een oude schoolkachel voor te staan. Bij de winterdag werd die roodgloeiend gestookt. Schoorsteenbrand is er nooit geweest. Ook geen commentaar van de “W.M.O. Het was wel zo, als je bij de kachel zat, was je voren warm en van achter koud. In en bij de toren is die eerste jaren heet wat afgespeeld, geknoopt, geseind en geknutseld. Prachtige kampvuren hebben we op het terrein gehad. Menig padvindersliedje is daar geleerd en gezongen. Bij slecht weer werd het kampvuur binnen, in de toren gehouden, een imitatievuur. Tussen de houtstapel op de vloer brandde dan een met rood crêpepapier omhulde stormlantaarn. En dan maar zingen: Hoor je ‘t zingen van het vuur, in ‘t geheimzinnig avonduur, ‘t zijn de vlammen die ons zeggen, weest verheugd en toon je vreugd. Een prachtig lied was ook De Rode Vlam: Wanneer de dag geëindigd is op ‘t ver gevorderd uur, dan grijp je naar je tondeldoos, dan sla je vonk en vuur, dan kronkelt tussen struik en stam, je kampsymbool, de rode vlam, de wilde rode vlam’. De bijeenkomsten van de verkenners waren altijd op de zaterdagmiddagen. Het begon altijd met een ceremonie: vlaghijsen. Als de vlag omhoog werd gehesen, moest je de padvindersgroet brengen, 3 vingers aan de rand van de hoed. Vaak werd ook het padvinderslied Hoort, zeg ‘t voort’ gezongen. Hoort zegt het voort, dat nu jong Nederland, niet meer teert op de kracht van een roemrijk geslacht, maar aan ‘t werk gaat met eigen hand. Werk maakt ons sterk, helpt ons in ‘t leven voort, wij rusten niet uit want wij willen vooruit, daar de toekomst aan ons behoort.’ Op 23 april was het St. Jorisdag. Dan was het ‘s morgens om 7 uur vlaghijsen, bij het troephuis. Je moest die dag in uniform lopen. Onze meester op school vond dat niet bepaald plezierig. Hij was nou niet bepaald voorstander van de padvinderij. Hij zei eens in ‘t dialect: Padvinderswet kent ze uut ’t heufd maar de tien geboden kunt ze er niet in kriegen.’ Eén van de jaarlijkse hoogtepunten naast de zomerkampen waren de uitvoeringen in de wintermaanden. Ze vonden plaats in de zaal van Café `het Jachthuis’. Daar werden allerlei sketches opgevoerd en liedjes gezongen. De eerste jaren waren daar altijd groepen uit het district Coevorden. Ook hopman Jonkers, die in 1949 naar Coevorden verhuisde was meestal op die avonden van de partij. Hij nam soms een flink aantal Padvinders mee van de Coevordense ‘Van Heutzgroep’. Een graag geziene gast was een wat oudere voortrekker: J.C. Hofkamp, alias Jan Cees, die prachtig piano speelde op de oude piano van ‘t Jachthuis. Zijn liedjes waaronder ‘Ik ben een pee-aa-dee-vee-ie-en-dee-ee-er’ zitten nu nog vastgeroest in mijn geheugen. In die jaren zijn er ook een aantal avondvullende toneelstukken opgevoerd; geschreven door Arie van der Lugt. Dat waren spannende stukken, die veel publiek trokken. Ik herinner me o.a.: ‘De bende van de zwarte pijl, waar B.J. Likkel van de Zwartedijk in meespeelde. Verder het mooie spel ‘De vreemde Hopman’. ‘Voor het stuk: ‘En nu een yell, voor de a.p.l.’ was het toneel zelfs in drieën verdeeld, door middel van een extra gordijn. Dan kon er voor het doek gespeeld worden, terwijl er een ander decor werd opgebouwd. In dit revueachtige spektakel speelde de bekende G.J. Korterink voor een commissaris van politie en vervulden twee van zijn zonen Lambert Jan en Jan Harm een ondergeschikte politie rol. Het geluid van de dorpstorenklok deden we na door met een zware houten hamer tegen een blok ijzer te slaan dat aan een touw was opgehangen. Het geluid van de donder gebeurde door achter het toneel een grote storten plaat vrijdragend te laten trillen. De bliksem door met een stekker een felle lamp te laten flitsen en voor de windvlagen hadden we met advies van Arie v.d. Lugt een `windmachine’ geconstrueerd die met de hand gedraaid moest worden. Het effect was zo goed dat men na afloop vroeg hoe we toch dat geluid van de regenvlagen hadden gemaakt. Men geloofde ons niet toen we moesten bekennen dat wij het niet hadden laten regenen! ‘Veel geld kwam er door uitvoeringen en verlotingen niet in kas, wat touw voor pionieren, wat bijltjes, schopjes, potten en tweedehands aluminium pannen en een oude 14 persoon ronde legertent en wat stormlantaarns was zo ongeveer ons bezit. Voor de zomerkampen werden er kleinere tenten bij gehuurd, zodat iedere patrouille (6-8 pers.) een eigen tent had.

Om de kosten van een kamp laag te houden, werden er altijd een dag van tevoren levensmiddelen, die een week goed bleven, op een bepaald adres ingeleverd. Dat was met elkaar een grote hoeveelheid die meestal door een vrachtwagen, die ook de welpen vervoerde, werd bezorgd. Toen we in 1950 in Heerde kampeerden, de verkenners op de fiets, plusminus 60 km. van Lutten, bleek toen de vrachtauto alweer weg was, dat de grote trommel met suiker niet mee gekomen was. Roel Compagne bood aan om ‘s middags nog een keer naar Lutten te fietsen om de `onmisbare’ suiker op te halen: Het is de plicht van een padvinder zich nuttig te maken en anderen te helpen’ (één van de punten uit de wet). Gerrit: In 1948 werd ik geïnstalleerd tot verkenner 3e klas. Het zomerkamp was samen met jongens uit Hardenberg, van de toenmalige Juniperus’ groep. De hopman van Hardenberg heette Stoet: De vaandrig was tandarts Greven. Het kamp was op de heide bij ‘Diana hoeve’ in het plaatsje Amen. Omdat ik erg klein was en een fiets had met dikke houten klossen op de trappers, mocht ik van mijn ouders niet mee op de fiets. Met een verkenner (z’n naam ben ik kwijt) mochten we meerijden met de jeep. De jeep `Truusje’ was, meen ik, gehuurd bij garage Oostenbrink. De chauffeur was vaandrig Greven. Wat een avontuur! Een reis om nooit te vergeten! Bij de watertoren was al veel bagage ingeladen. Kisten met pannen, patrouille uitrustingen en levensmiddelen. Maar eerst moesten we nog naar Zwolle, tenten ophalen die gehuurd waren bij Slurink. Vanaf Zwolle moest ik bovenop de hoog opgestapelde bagage zitten, ik voelde me als een boer bovenop een voer hooi. Van Zwolle weer terug naar de Lichtmis en toen via Rouveen en Staphorst, Drenthe verder in. Wat een bekijks onderweg! Van het kamp viel verder nog te vermelden dat het zeer geslaagd was, de samenwerking met Hardenberg ging prima en tijdens die week bij Amen was het bloedheet en kregen we een keer ‘s avonds een zeer zwaar onweer en moesten we met man en macht geultjes om de tenten graven voor de afvoer van de stortbui. Later bleek dat ook niet alle tenten waterdicht waren. Maar we bleven zingen van: Hagel en sneeuw, onweer, wind en regen, deren ons niet, we kunnen er wel tegen. Met respect en bewondering denk ik nog terug aan onze hopman. Jan Jonkers ging tijdens dat hevige onweer de tenten bij langs om de verkenners moed in te spreken, laconiek vroeg hij ons: Hebben jullie nog thee?’. Hopman Jonkers was en is gek op thee! In de loop der jaren was er ieder jaar een zomer kampeerweek. Waar het goed beviel, gingen we meerdere keren naar toe. Zo waren we o.a. vaak in het Zwolse Bos bij Heerde met de verkenners in 1951. De welpen waren daar op de boerderij van Haverkamp. Met de verkenners gingen we op die boerderij de strozakken vullen en dan met die zakken op de fiets door het slingerpad van dat bos naar het kampeerterrein. Dat leidde nog wel eens tot botsingen. Het eerste wat altijd gedaan werd als je het kampterrein had toegewezen gekregen, was het graven van een diepe latrine, na ieder gebruik werd daar weer een laag zand over gespit. Dan de tenten opzetten en je patrouilleerden afrasteren d.m.v. een lang touw. Vaak werd er ook een poort gebouwd met het patrouille embleem. Dan werd er af eens gauw in canvas emmers drinkwater opgehaald bij de pomp. Het vuur waar je op kookte, was een zgn. tafelvuur. Vier palen in de grondgraven, dwarspalen er aan bevestigen met touwsjorringen, daarover man aan man, takken van zo’n 5 cm. rond, plaggen er op met 15 cm. zand en dan hierop een paar bakstenen met de vuurstangen. Je kon er dan rechtop bij staan met koken. Bij hevige regenval kwam er een dekzeil boven. Zo werd er ook een tafel gemaakt van rondhout met een paal, waarop je zitten kon. Soms liep uit die `zitpalen’ flink wat hars en dan zat je niet plezierig en was het een ramp voor je broek. Verder was er nog een mokkenboom en een pannen en bordenrek. Een oude ‘theekist’ in de grond gespit, was een prima provisiekelder. En zo was het best een weekje uit te houden. Een padvindershoed was toen voor velen nog te duur! Bij de ‘Scout Shop’ een uniform kopen was ook te duur. De meeste moeders maakten de shirts dan ook zelf. De halsdoek was groen en bruin. Een enkeling had de originele padvindersriem met de lelie en het randschrift: Boys Scouts Be Prepared (Padvinders Weest Paraat). Padvinders rollen de mouwen naar binnen op (voorkomt vuil in de opgerolde mouw). Padvinders geven elkaar de linkerhand zodat ze gelijktijdig de groet kunnen brengen met de rechterhand. Alleen verkenners hebben een essenhouten stok. Voortrekkers hebben geen stok en zijn herkenbaar aan de groene epauletten met lelie. Vanaf 17 jaar kon je bij de voortrekkers. Plaatsen waar we één of meerdere keren gekampeerd hebben waren o.a. Junne, Amen, Heerde, Ansen, Ootmarsum, Exloo, Sleen en Bentelo. Ieder heeft zo aan elk zomerkamp z’n herinneringen. In 1953 ging een grote wens in vervulling. Na veel sparen en acties houden was er geld om een eigen troephuis te bouwen, een houten blokhut van 6 bij 10 meter. Hij kwam te staan op het terrein, schuin achter Eikenoord. Eigenaar van de grond was Dhr. E. Mulder, directeur van de aardappelmeelfabriek. Voor het symbolische bedrag van 1 gulden werd de grond gehuurd. Het was een hele vooruitgang van de watertoren naar het nieuwe onderkomen, dat de naam DE WIGWAM kreeg.


Een lange rij padvinders staan klaar om van hun oude onderkomen, de Watertoren. naar het nieuwe clubhuis, de Wigwam, te marcheren

Interview met voorzitter G.J.ter Wijlen

Vaandrig gedecoreerd

Een aantal jaren heeft de Hegwes-groep hier een prima troephuis aan gehad. De romantiek van de watertoren was echter voorgoed verdwenen en toen er steeds meer jongens ‘s zaterdagsmiddags naar de voetbalclub gingen, kwam de klad er in. In begin van de 60-er jaren waren er bijna geen verkenners en voortrekkers meer. De welpenhorde draaide nog een poosje door onder akela Alie van Faassen. Helaas werd in 1962 de Hegwes-groep opgeheven. De mooie ‘Wigwam” werd een bouwmaterialenmagazijn bij bouwbedrijf Van Dijk. Daarmee kwam er voorgoed een einde aan het jongensavontuur dat begonnen was met “De jongens van Eikenoord”. Maar als je met oude vrienden aan de praat komt, blijkt het dat de avonturen van D.S.G. en van de Luttense volgelingen van ‘B.P’. nog niet vergeten zijn.


Op zaterdag 24 juni 2006 vond een reünie plaats van de HEGWES-groep Lutten, in het dorpshuis aan de Middenweg